Johannespassie 16 april 2003
Johannes-Passion van J.S. Bach (1685-1750)
| Uitvoerenden | Bachkoor Nijmegen |
| Het Gelders Orkest | |
| Solisten | Sopraan: Maya Rootveldt |
| Alt: Jos Scholte (vervanger voor Myra Kroese die wegens ziekte verhinderd was) |
|
| Tenor, evangelist: Frank Fritschy | |
| Tenor, aria's: Nico van der Meel (vervanger voor André Post die wegens ziekte verhinderd was) |
|
| Bas, Christus: Tom Sol | |
| Bas, aria's: Marc Pantus | |
| Dirigent | Rob Vermeulen |
| Plaats | Concertgebouw De Vereeniging te Nijmegen |
Dit jaar wordt in de Goede Week de Johannes-Passion (bwv 245) uitgevoerd.
Toelichting Johannes-Passion
Het was in de christelijke liturgie al in vroege tijden gebruik het lijdensverhaal van Christus in de Goede of Stille Week op verschillende dagen in de versie van één der vier evangelisten voor te lezen: op Palmzondag de versie van Matthäus, op dinsdag die van Markus, op woensdag die van Lucas en op Goede Vrijdag die van Johannes.
De kerkvader Augustinus (345-430) schrijft dat deze lezingen op een plechtige lectiotoon plaatsvonden. Om enige afwisseling in de langdurende Schriftlezing te brengen, paste men een eenvoudige rolverdeling toe: de diaken zong het Evangelieverhaal, de priester zong de woorden van Christus en de subdiaken vertolkte de woorden die van nevenfiguren of het volk afkomstig zijn. Deze passielezing, die tot op heden in de katholieke liturgie gehandhaafd is gebleven, noemt men de korale of gregoriaanse passie. Zij was tijdens het leven van Bach in de Lutherse eredienst nog in gebruik, zij het in Duits, de landstaal.
Daarnaast ontstond aan het einde van de 15e eeuw de figurale passie of motetpassie, een meerstemmige toonzetting van het lijdensverhaal. Voorbeelden hiervan vindt men onder meer bij Jacob Obrecht, Orlando di Lasso, Joachim à Burck en Leonard Lechner. Heinrich Schütz (1585-1672) componeerde het Evangelieverhaal in een eenstemmige psalmodie-toon, doch hij zette de woorden van het volk meerstemmig en liet het passieverhaal voorafgaan en volgen door een motet. In de zogenaamde oratorische passie stapte men af van de letterlijke Evangelietekst. Het verhaal werd vrij naverteld, terwijl het werd onderbroken door beschouwingen in aria- of koorvorm en er ook een instrumentale begeleiding aan te pas kwam. Voor deze oratorische passie werd veelal gebruik gemaakt van de tekst van de Hamburgse dichter B.H. Brockes, onder anderen door Keiser (1712), Telemann en Händel (1716), Mattheson (1718), Stölzel (1727) en J. Fr. Fasch (1750).De eerste oratorische passie te Leipzig (volgens het Evangelie van Markus) was van de hand van Bachs voorganger als cantor van de Thomaskerk, Johann Kuhnau.
Bach heeft zijn Johannes-Passion in drie maanden geschreven en voor het eerst uitgevoerd in 1724 tijdens de Goede Week in de Thomaskirche te Leipzig. Het thans gebruikelijke openingskoor “Herr, unser Herrscher” alsook het slotkoraal ”Ach Herr, laß dein lieb Engelein” werden door Bach pas later toegevoegd. In de tweede van de in totaal vier versies van de Johannes-Passion, die uit 1725, gebruikte Bach als openingskoor het slotkoor van het eerste deel van zijn Matthäus-Passion “O Mensch, bewein dein Sünde groß”. Tevens voegde hij aan deze versie nog een aantal aria’s en arioso’s aan toe, namelijk “Ach, mein Sinn”, “Erwäge”, “Mein Herz”, “Zerfließe, mein Herze” en “Betrachte, meine Seel”. Ook in latere tijd bracht Bach nog de nodige wijzigingen aan in Johannes-Passion.
Het grootste deel van de tekst is ontleend aan het Johannes-Evangelie. Opvallend is evenwel, dat Bach tweemaal een dramatische tekst uit het Matthäus-Evangelie invoegt: Mt. 26:75 over het bittere wenen van Petrus na zijn drievoudige verloochening van Jesus en Mt. 27:51-52 over het scheuren van het voorhang in de tempel, de aardbeving, het splijten van de rotsen en de opstanding van de gestorvenen na de dood van Jesus. De niet-bijbelse teksten zijn van Bach zelf, waarbij hij evenwel sterk aanleunt tegen “Der für die Sünde der Welt gemarterte und sterbende Jesus” van B.H. Brockes.
De Johannes-Passion is geschreven voor sopraan- en altsolo en voor twee tenor- en twee bassoli, vierstemmig koor, orkest en basso continuo.
Bach gebruikte in het orkest enkele ook in zijn dagen al min of meer in onbruik geraakte instrumenten, zoals de viola d’amore en de theorbe (basluit) in het bas-arioso “Betrachte” en in de tenor-aria “Erwäge” alsook de viola da gamba in de alt-aria “Es ist vollbracht”.